Jood, katholiek, protestant en de barmhartige Samaritaan

De gelijkenis van de barmhartige Samaritaan is algemeen bekend. Deze gelijkenis wordt vaak aangehaald om erop te wijzen dat Jezus ons leert dat wij onze naasten lief moeten hebben. Maar er valt meer te halen uit deze gelijkenis uit Lucas 10,30-37. Wanneer men goed de inhoud van de gelijkenis leest en de context bekijkt, wordt ons duidelijk wat Jezus bedoelde voor de joden toen en spreekt de gelijkenis ook nog meer voor ons vandaag.

De context

Om te beginnen kijken wij naar de context waarin Jezus deze gelijkenis vertelt. Het begint in Lucas 10,25 wanneer een wetgeleerde Jezus de vraag stelt hoe hij eeuwig leven kan krijgen. Dit is bijna dezelfde vraag als die de rijke jongeling stelt in Marcus 10,17. Een groot verschil is dat de rijke jongeling het knielend vraagt en de wetgeleerde het vraagt om Jezus te beproeven. Jezus kent het hart van de wetgeleerde en van de rijke jongeling, daarom is het vervolg van deze verhalen anders. Jezus doorziet de beproeving van de wetgeleerde en reageert met een wedervraag. De wetgeleerde wilde Jezus waarschijnlijk betrappen op een foute uitleg van de Schrift, maar moet nu zelf verklaren wat de wet voorschrijft. Moeiteloos haalt hij twee kernteksten uit de Thora aan (Leviticus 19,18 en Deuteronomium 6,5). Het zal de wetgeleerde niet verbaast hebben dat Jezus zijn antwoord goedkeurde, maar het zal hem des te meer hebben geschokt dat Jezus hem opdroeg om deze voorschriften ook te vervullen. Uit Leviticus 19 leerden de joden dat zij elke Israëliet en iedere vreemdeling in hun land lief moesten hebben als zichzelf. Jezus vertelde de wetgeleerde dus niks nieuws. Wat was dan het probleem? Ook al kenden de joden de Schrift (erg) goed, ze konden het niet uitstaan dat er Samaritanen en Romeinen in hun land waren en vroegen zich af de Wet niet anders kon worden uitgelegd. Vandaar dat de wetgeleerde Jezus vraagt wie zijn naaste is. Hierop reageert Jezus met de gelijkenis van de barmhartige Samaritaan.

De gelijkenis

De gelijkenis bestaat uit het verhaal van een man die overvallen wordt tijdens zijn reis en halfdood wordt achtergelaten. Vervolgens lopen een priester en een Leviet met een boog om hem heen en steken geen hand uit om de man te helpen. Tot slot komt er een Samaritaan langs die de man te hulp schiet. Na hem verzorgt te hebben, brengt hij hem naar een herberg en betaald voor de kosten. Jezus sluit af met de vraag wie de halfdode man tot naaste is geworden. De wetgeleerde krijgt het niet over zijn lippen om toe te geven dat het de Samaritaan is geweest, maar antwoordt dat het degene was die medelijden heeft getoond. Het verhaal rond de gelijkenis eindigt met Jezus’ opdracht om net zo te doen als de barmhartige Samaritaan. Hiermee herhaalt Jezus zijn eerdere opdracht om de belangrijkste twee geboden te houden. Je zou kunnen zeggen dat Jezus de wetgeleerde behoorlijk op zijn nummer zet met deze gelijkenis. De Schriftgeleerden en de Farizeeën lieten zich voorstaan door de Schriften te bestuderen en te onderwijzen. Ze dachten hiermee nog God te eren en eeuwig leven te krijgen ook. Uiteindelijk zijn ze alleen maar uit op eigen eer en voeren ze niet uit wat ze zelf onderwijzen. Bovendien herkennen ze door hun aardse denken niet dat Jezus de Messias is en wijzen ze hem af (Matteüs 5,20 en 23,1-33 en Johannes 5,39-47 en 8,30-59). Dat het God niet te doen is om vroom gedrag wordt door Jezus pijnlijk duidelijk gemaakt in de gelijkenis. Het is niet de Samaritaan die faalt om Gods wil te doen, maar de priester en de Leviet. Zij die dienst deden in de tempel, het centrum en de trots van het joodse volk, zouden juist moeten leven volgens Gods principes en voorschriften. Jezus maakt dus duidelijk waar het misgaat bij de joden. In plaats van God te gehoorzamen, gedragen zij zich vroom en hypocriet. In plaats van hun naaste lief te hebben, discussiëren zij over wie hun naaste is. In plaats van een naaste te zijn voor hun medemens die het nodig heeft (of diegene nou volksgenoot, vriend, medegelovige, rijk is of niet), zoeken zij hun eigen eer en proberen hun traditie in ere te houden.

Ons dagelijks geloof

Wat kunnen wij verder nog leren van deze gelijkenis? Ten eerste spreekt deze gelijkenis tot mij persoonlijk. In september ga ik beginnen met de studie theologie. Ik realiseer mij door deze gelijkenis opnieuw dat deze studie mij niet zal verheffen tot een betere christen, ook al is dat soms verleidelijk om te denken. Ik ben net als de wetgeleerde en ieder ander afhankelijk van Jezus en zal hem moeten volgen om eeuwig leven te krijgen. Aan de andere kant herken ik iets in deze gelijkenis wat ik de laatste tijd steeds meer begon te beseffen en volgens mij voor elke gelovige belangrijk is. Ik heb mij de laatste jaren aardig druk gemaakt om wat de juiste of beste leer is. In dit alles kwam ik eropuit dat men daar eindeloos over kan discussiëren als men wilt, maar dat het belangrijkste is dat men een levend geloof heeft. Niet dat men zijn of haar redding moet verdienen, maar dat het geloof invloed heeft op het leven van die persoon (zie ook Jakobus 2,14-26). Bovendien gingen mijn ogen weer open voor hoe God door allerlei denominaties heen werkt en dat God daarin niet selectief is. Dit klinkt misschien logisch, maar ik denk dat het voor vele christenen belangrijk is om te beseffen dat een levend geloof in afhankelijkheid van Jezus voorgaat op welke denominatie en leer je aanhangt. Uiteindelijk wil God door iedereen heen werken wanneer diegene hem zoekt en dienstbaar wil zijn. Ik geloof dat dit meer invloed op het dagelijks leven van een gelovige zal hebben, dan de leer die diegene aanhangt.

Leave a Reply

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.

%d bloggers liken dit: